Woordenlijst

Aanzetsteen

De eerste stenen aan de linker en rechterzijde van een gemetselde boog. Deze stenen worden uit constructief oogpunt geplaatst en zijn doorgaans uitgevoerd in natuursteen.

Band

Een horizontale strook in de gevel, meestal uitgevoerd in natuursteen of baksteen.

Bel-etage

De eerste verdieping of hoofdetage van een voornaam huis, waarvan de plafondhoogte doorgaans hoger is dan die van de andere verdiepingen. De bel-etage ligt boven een souterrain, een half verdiepte benedenverdieping. De bel-etage wordt bereikt via een trappartij.

Bovenlicht

Een bovenlicht is een raam dat geplaatst is boven een deur, of het bovenste raam van een venster.

Dakkapel

Een klein uitspringend venster dat een schuin dak onderbreekt. Een dakkapel wordt aangebracht om licht en lucht in het gebouw toe te laten.

Dorpel

Het horizontale deel van een deur of raamkozijn. Afhankelijk van de plaats spreken we van een onderdorpel, tussendorpel of bovendorpel. De onderdorpel van een deur wordt ook wel een drempel genoemd.

Erker

Een uitstekende uitbouw aan de gevel van een gebouw. Een erker kan ook gezien worden als een uitgebouwd venster en kan verschillende vormen hebben.

Fronton

De driehoekige bekroning van een gevel, venster of ingang. Een fronton is een klassieke vorm en wordt veel toegepast in classicistische architectuur, geïnspireerd op de architectuur van de Klassieke Oudheid.

Functionalisme

Een architectonisch principe waarbij de vorm van een gebouw voortkomt uit de functie die het moet vervullen. Dit resulteert in een sobere architectuur met strakke vormen. Het functionalisme is veel toegepast door de architecten van de moderne beweging, aan het begin van de 20e eeuw. Belangrijke vertegenwoordigers waren Le Corbusier, Frank Lloyd Wright en Gerrit Rietveld.

Lambrisering

Wandbetimmering tegen het onderste gedeelte van een muur.

Lessenaarsdak

Een daktype met slechts één hellend dakvlak.

Lisenen

Een uitspringende verticale band die over de lengte van de gevel loopt. Lisenen hebben uitsluitend een decoratieve functie.

Luifel

Een plat uitgebouwd afdak, meestal tegen een gevel of boven een deur.

Modernisme

Een architectuurstroming uit het begin van de 20e eeuw die definitief brak met traditionele bouwstijlen. Architecten werkten volgens het principe ‘vorm komt voort uit functie’ wat resulteerde in een strakke, rechtlijnige architectuur zonder ornamenten. Bekende architecten zijn Le Corbusier, Ludwig Mies van der Rohe, Frank Lloyd Wright, Gerrit Rietveld, Johannes Brinkman en Cornelis van der Vlught.

Neoclassicisme

Een stroming in de architectuur en kunst die de vormprincipes van de klassieke oudheid navolgt en eind 18e, begin 19e eeuw veelvuldig werd toegepast. Dit uit zich in de toepassing van de antieke orden en elementen als timpanen en zuilen.

Nieuwe bouwen

De Nederlandse benaming voor de architectuur van de Moderne Beweging, die zich begin 20e eeuw manifesteerde. Deze rechtlijnige, zakelijke architectuur zonder decoraties brak rigoureus met de voorgaande traditionele bouwstijlen. Bekende vertegenwoordigers zijn Gerrit Rietveld, Johannes Brinkman, Cornelis van der Vlught en Jan Duiker.

Overstek

Een gedeelte van een bouwwerk dat ten opzichte van het onderliggende deel vooruitsteekt. Veel voorkomend zijn dakoverstekken.

Plint

Een lijst langs de onderrand van een muur, gemaakt van hout, metsel- of stucwerk.

Portaal

Een aan de ingang grenzende ruimte die men betreedt bij binnenkomst van een gebouw.

Roedenverdeling

Wanneer een venster verschillende kleine ruitjes heeft die op hun plaats worden gehouden met houten latten of roeden, spreekt men van een roedenverdeling.

Rondboog

Een boog met een halve cirkel, veelvoorkomend in de romaanse en renaissance bouwkunst.

Schilddak

Een dakvorm met twee driehoekige schilden aan de smalle zijden en twee trapeziumvormige aan de lange zijden.

Serre

Een voornamelijk uit glas bestaande uitbouw aan een woonhuis, met een constructie van hout of ijzer. Via deuren is er een verbinding met de tuin. Serres werden toegepast vanaf de 19e eeuw.

Sluitsteen

De middelste steen van een gemetselde boog, vaak in natuursteen uitgevoerd.

Souterrain

Een benedenverdieping die gedeeltelijk lager ligt dan de begane grond.

Speklaag

Een natuurstenen band in het bakstenen metselwerk, ter verfraaiing van de gevel.

Spitsboog

Een boog die toeloopt in een punt, veelvuldig toegepast in de gotische en neogotische kerkenbouw.

Timpaan

Een driehoekige gevelplaat, vaak op zuilen geplaatst of boven vensters.

Travee

Een ruimte-eenheid in de architectuur, die duidt op de maat van één venster, boog of gewelf.

"um-1800” stijl

In populaire stijl in de periode 1905-1914 die ook wel de ‘nieuw historiserende stijl’ wordt genoemd. De Lodewijk XVI-stijl en het neoclassicisme werden als ideaal gezien. De stijl was een reactie op de expressieve baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School.

Vide

Het open deel van een verdiepingsvloer, afgezet met een balustrade of hekwerk.

Wolfsdak

Een dakvorm met afgeschuinde kanten aan de korte zijden.

Zadeldak

Een dakvorm met twee dakschilden die aan de bovenzijde bij de nok samenkomen. Het zadeldak is het meest voorkomende dak.