Begrippenlijst
A
- Aanzetsteen
- De eerste stenen aan de linker en rechterzijde van een gemetselde boog. Deze stenen worden uit constructief oogpunt geplaatst en zijn doorgaans uitgevoerd in natuursteen.
- Amsterdamse School
- Een architectuurstroming uit de jaren ’20 van de 20e eeuw die zich kenmerkt door een expressieve baksteenarchitectuur met natuurstenen accenten. De stijl vindt zijn oorsprong in Amsterdam, maar werd ook in andere plaatsen in Nederland toegepast. Belangrijke vertegenwoordigers zijn H.P. Berlage, J.M. van der Mey, M. de Klerk en P.L. Krame.
B
- Band
- Een horizontale strook in de gevel, meestal uitgevoerd in natuursteen of baksteen.
- Bel-etage
- De eerste verdieping of hoofdetage van een voornaam huis, waarvan de plafondhoogte doorgaans hoger is dan die van de andere verdiepingen. De bel-etage ligt boven een souterrain, een half verdiepte benedenverdieping. De bel-etage wordt bereikt via een trappartij.
- Beuk
- Een beuk is een langwerpige ruimte tussen rijen kolommen in een kerk. Een beuk is altijd in de lengte van de kerk gericht. De meeste kerken in Nederland bestaan uit drie beuken: een middenschip met aan beide zijden een zijbeuk.
- Bovenlicht
- Een bovenlicht is een raam dat geplaatst is boven een deur, of het bovenste raam van een venster.
C
- Classicisme
- Een architectuurstroming uit de 18e en 19e eeuw die de vormprincipes van de klassieke oudheid navolgt. Dit uit zich onder meer in de toepassing van zuilen, timpanen en symmetrische vormen.
D
- Dakkapel
- Een klein uitspringend venster dat een schuin dak onderbreekt. Een dakkapel wordt aangebracht om licht en lucht in het gebouw toe te laten.
- Dakruiter
- Een torentje boven de viering of kruising van een kerk of kathedraal.
- Delftse School
- Een traditionalistische architectuurstroming uit begin 20e eeuw, aangevoerd door Marinus Jan Granpré Molière. De stroming kenmerkt zich door het gebruik van baksteen, natuursteen en een traditionele vormentaal.
- Dorpel
- Het horizontale deel van een deur of raamkozijn. Afhankelijk van de plaats spreken we van een onderdorpel, tussendorpel of bovendorpel. De onderdorpel van een deur wordt ook wel een drempel genoemd.
- Een dwarsschip of ‘transept’ is het deel van een kerk dat dwars op het middenschip is geplaatst, waardoor een kruisvorm ontstaat.
E
- Erker
- Een uitstekende uitbouw aan de gevel van een gebouw. Een erker kan ook gezien worden als een uitgebouwd venster en kan verschillende vormen hebben.
F
- Fronton
- De driehoekige bekroning van een gevel, venster of ingang. Een fronton is een klassieke vorm en wordt veel toegepast in classicistische architectuur, geïnspireerd op de architectuur van de Klassieke Oudheid.
- Functionalisme
- Een architectonisch principe waarbij de vorm van een gebouw voortkomt uit de functie die het moet vervullen. Dit resulteert in een sobere architectuur met strakke vormen. Het functionalisme is veel toegepast door de architecten van de moderne beweging, aan het begin van de 20e eeuw. Belangrijke vertegenwoordigers waren Le Corbusier, Frank Lloyd Wright en Gerrit Rietveld.
G
- Galerij
- Een overdekte gang gedragen door zuilen, in of naast een gebouw.
- Gotiek
- Een bouwstijl uit de 12e tot begin 16e eeuw, die volgde op de romaanse bouwkunst. De stijl kenmerkt zich door het gebruik van spitsbogen en kruisribben, die hogere plafonds en grotere ramen mogelijk maakten.
- Guirlande
- Een gevlochten slinger of bloemenslinger uigevoerd in beeldhouwwerk, ter decoratie van de gevel. Guirlandes worden toegepast in de classicistische architectuur.
I
- Ionisch
- De Ionische orde is één van de drie orden uit de Griekse bouwkunst en vindt zijn oorsprong op de Ionische eilanden aan het begin van de zesde eeuw v. Christus. Een Ionische zuil is slank, staat op een voetstuk en heeft een versierd kopstuk.
K
- Klokgevel
- Een gevel met een klokvormige beëindiging.
- Klos
- Een houten of gemetseld blokje dat uit de muur steekt en uitstekende onderdelen, zoals een dakgoot, ondersteunt.
- Kolom
- Een steunconstructie in de vorm van een zuil of pilaar.
- Kozijn
- De lijst rond een raam of deur, uitgevoerd in steen, hout of ijzer. Een kozijn bestaat uit een onder- en bovendorpel met eventueel een tussendorpel en twee of meer stijlen.
- Kruiskozijn
- Een kozijn dat door een middenstijl en een tussendorpel in vieren gedeeld is. De twee onderste ramen zijn veelal draaibaar en voorzien van luiken.
- Kruisribgewelf
- Een gewelf met een vierhoekige basis, met de ribben als dragende elementen. Dit type gewelf is ontwikkeld in de gotiek en had een grotere draagkracht, waardoor het mogelijk werd om hogere ruimten te construeren.
L
- Lambrisering
- Wandbetimmering tegen het onderste gedeelte van een muur.
- Latei
- Een draagconstructie om belastingen boven wanddoorbrekingen op te vangen, bijvoorbeeld een balk boven een raam of deur.
- Lei
- Zie: Leipan
- Leipan
- Platte dakpan of daktegel.
- Lessenaarsdak
- Een daktype met slechts één hellend dakvlak.
- Ligger
- Ondersteunende balk
- Lisenen
- Een uitspringende verticale band die over de lengte van de gevel loopt. Lisenen hebben uitsluitend een decoratieve functie.
- Luchtboog
- Een boog voor het overbrengen van horizontale krachten van de muren van een kerk naar de verticale steunberen.
- Luifel
- Een plat uitgebouwd afdak, meestal tegen een gevel of boven een deur.
M
- Mansardedak
- Een dakvorm waarbij het onderste deel van het zadeldak of schilddak steiler is dan het bovenste deel, waardoor een geknikte vorm ontstaat. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw is deze dakvorm veelvuldig toegepast omdat hierdoor een grotere zolder ontstond. De naam is afgeleid van de 17e eeuwse Franse architect Mansard.
- Modernisme
- Een architectuurstroming uit het begin van de 20e eeuw die definitief brak met traditionele bouwstijlen. Architecten werkten volgens het principe ‘vorm komt voort uit functie’ wat resulteerde in een strakke, rechtlijnige architectuur zonder ornamenten. Bekende architecten zijn Le Corbusier, Ludwig Mies van der Rohe, Frank Lloyd Wright, Gerrit Rietveld, Johannes Brinkman en Cornelis van der Vlught.
- Muuranker
- Een smeedijzeren staaf om een balk of een stijl aan een muur te bevestigen en om te voorkomen dat deze uitijkt. Een muuranker bestaat uit een 'strop' en een 'schieter'. De horizontaal geplaatste strop is voorzien van een oog, waardoor de verticale schieter kan worden gestoken. De schieter drukt dan tegen het muurwerk. Muurankers kunnen rijk bewerkt zijn of jaartallen representeren.
N
- Neoclassicisme
- Een stroming in de architectuur en kunst die de vormprincipes van de klassieke oudheid navolgt en eind 18e, begin 19e eeuw veelvuldig werd toegepast. Dit uit zich in de toepassing van de antieke orden en elementen als timpanen en zuilen.
- Neogotiek
- Een architectuurstroming uit de 19e eeuw die is geïnspireerd op de middeleeuwse gotische kerkenbouw. Deze kenmerkt zich door het gebruik van kruisribgewelven, spitsbogen en grote vensters.
- Nieuwe Bouwen
- De Nederlandse benaming voor de architectuur van de Moderne Beweging, die zich begin 20e eeuw manifesteerde. Deze rechtlijnige, zakelijke architectuur zonder decoraties brak rigoureus met de voorgaande traditionele bouwstijlen. Bekende vertegenwoordigers zijn Gerrit Rietveld, Johannes Brinkman, Cornelis van der Vlught en Jan Duiker.
O
- Overstek
- Een gedeelte van een bouwwerk dat ten opzichte van het onderliggende deel vooruitsteekt. Veel voorkomend zijn dakoverstekken.
P
- Pilaster
- Een vierkante of halfronde zuil in de gevel.
- Pinakel
- Een spits toelopende bekroning in de vorm van een gotisch torentje.
- Plint
- Een lijst langs de onderrand van een muur, gemaakt van hout, metsel- of stucwerk.
- Portaal
- Een aan de ingang grenzende ruimte die men betreedt bij binnenkomst van een gebouw.
R
- Raam
- Het gedeelte van een venster waarin het glas is geplaatst.
- Roedenverdeling
- Wanneer een venster verschillende kleine ruitjes heeft die op hun plaats worden gehouden met houten latten of roeden, spreekt men van een roedenverdeling.
- Rondboog
- Een boog met een halve cirkel, veelvoorkomend in de romaanse en renaissance bouwkunst.
- Roosvenster
- Een cirkelvormig venster voorzien van gebrandschilderd glas of steenwerk in de vorm van rozetten. Veel toegepast in gotische kerken maar later ook in de gevels van woonhuizen en boerderijen.
S
- Schilddak
- Een dakvorm met twee driehoekige schilden aan de smalle zijden en twee trapeziumvormige aan de lange zijden.
- Serre
- Een voornamelijk uit glas bestaande uitbouw aan een woonhuis, met een constructie van hout of ijzer. Via deuren is er een verbinding met de tuin. Serres werden toegepast vanaf de 19e eeuw.
- Sheddak
- Ook wel zaagtanddak genoemd. Een reeks zadeldaken met onevenwijdige schilden. Aan één zijde voorzien van glas, waardoor licht naar binnen valt. Veel toegepast bij fabriekshallen.
- Sluitsteen
- De middelste steen van een gemetselde boog, vaak in natuursteen uitgevoerd.
- Souterrain
- Een benedenverdieping die gedeeltelijk lager ligt dan de begane grond.
- Speklaag
- Een natuurstenen band in het bakstenen metselwerk, ter verfraaiing van de gevel.
- Spitsboog
- Een boog die toeloopt in een punt, veelvuldig toegepast in de gotische en neogotische kerkenbouw.
- Steunbeer
- Tegen de muur gebouwde stenen verticale constructie ter versterking van de zijwaartse druk. Veel toegepast in kerkenbouw.
- Stijleclectisch
- Eclecticisme is het combineren van meerdere architectuurstijlen binnen één ontwerp.
- Structuralisme
- Een architectuurstroming uit de jaren ’50 en ’60 waarbij de architecten uitgaan van strakke, geometrische organisatiepatronen. In Nederland is deze stroming bekend geworden door de groep FORUM en de architecten Aldo van Eyck en Herman Hertzberger.
T
- Tentdak
- Een dakvorm met vier of meer gelijkbenige driehoekige schilden, die samenkomen in een punt.
- Timpaan
- Een driehoekige gevelplaat, vaak op zuilen geplaatst of boven vensters.
- Transept
- Zie: Dwarsschip
- Trapgevel
- Een gevel waarvan de top zich trapsgewijs versmalt.
- Travee
- Een ruimte-eenheid in de architectuur, die duidt op de maat van één venster, boog of gewelf.
U
- Um 1800-stijl
- In populaire stijl in de periode 1905-1914 die ook wel de ‘nieuw historiserende stijl’ wordt genoemd. De Lodewijk XVI-stijl en het neoclassicisme werden als ideaal gezien. De stijl was een reactie op de expressieve baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School.
V
- Vide
- Het open deel van een verdiepingsvloer, afgezet met een balustrade of hekwerk.
W
- Wenkbrauw
- Een uitkragende decoratieve band aan de bovenzijde van een deur of venster. Uitgevoerd in metselwerk of gepleisterd.
- Wolfsdak
- Een dakvorm met afgeschuinde kanten aan de korte zijden.
Z
- Zaagtanddak
- Zie: Sheddak
- Zadeldak
- Een dakvorm met twee dakschilden die aan de bovenzijde bij de nok samenkomen. Het zadeldak is het meest voorkomende dak.
- Zuil
- Een kolom of drager die op een voetstuk of basement rust en bekroond wordt door een kapiteel.